Ouwe auto
Ik ben trots op mijn ouwe Peugeot 205. Voor een minimaal bedrag gekocht, van binnen meestal een zooitje, af en toe hulpbehoevend (lang leve de wegenwacht) maar die keren zijn op één hand te tellen. Ook al lijkt het soms meer een rijdende asbak dan een auto, het ding heeft me tot nu toe gebracht waar ik wezen wilde. En daar heb ik behoorlijk lol in: niks geen dure aanschaf, afbetaling of weet ik veel. Oud, met hier en daar wat vreemde bijgeluiden in de bochten en bijna altijd starten en lopen.
Ooit was hij zelfs helemaal ongeschonden, toen ongeveer 15 jaar oud en geen kras of spatje roest. Blijkbaar had de eigenaar voor mij 'm wel goed onderhouden. Ik ben niet zo'n poetser, en vergeet meestal dat een keer door de wasstraat of met de stofzuiger er doorheen geen overbodige luxe is. En toch ging het me aan het hart toen enkele jaren geleden een paar idioten het idee hadden dat mijn radio het bij hun veel beter zou doen. Omdat het nacht was, de deuren op slot en ze me blijkbaar niet wilden wakker maken om de sleutels te vragen hebben ze eerst maar het slot vermoerd, om vervolgens de stijl van de deur naar buiten te buigen. Radio weg, maar dat interesseerde me niet zo, de volgende ochtend. Erger vond ik het dat door het openbuigen de lak van de stijl was gesprongen zodat daar nu twee verwrongen, roestige plekken zitten. Eigenlijk de eerste roest op een verder smetteloos autootje. En dat door een stel hondekoppen die niet van andermans spullen af kunnen blijven. Maar ja, de stijl is teruggebogen, het slot nog steeds kapot, zodat ik bij het openmaken via de bestuurderskant mijn deur van het slot moet doen. Maakt niet uit, hij rijdt!
Het Peugeootje heeft al een heen- en terugweg overleefd, en met een paar nieuwe banden ging het ook nu weer voorspoedig richting Greve in Chianti. 130/140 over de Deutsche Autobahn, geen vuiltje aan de lucht. En toch merkte ik daar voor de eerste keer dat een oud autootje ook z'n nadelen heeft. Blijkbaar ben je dan voor bepaalde beambten vogelvrij en op voorhand verdacht. In ieder geval liet de groen-witte auto met daar groot Zoll voor me er geen twijfel over bestaan: Follow Me, stond er knipperend voor me. En braaf voldeed ik aan dit vriendelijke verzoek. Vijf man sterk stonden ze klaar op een parkeerplaats. Rijbewijs, autopapieren en paspoort werden zorgvuldig gecontroleerd en in de auto gecheckt. De andere vier trokken rubberen handschoenen aan en keerden in no-time het Peugeootje binnenstebuiten. Niets te vinden, op enkele oranje/roodwitblauwe WK-rommel na die ik bij me heb om tijdens dat WK de Italianen en hier ook veel aanwezige Denen (welkom poule-genoten!) mee te sarren. In de ogen van de Duitse douanemensen was dat ernstig genoeg om me niet door te laten rijden, en mocht ik alleen verder als ik het zou inruilen voor geelzwartrood. Even bekroop me het gevoel dat ik hier met een zeldzaam soort Duitser te maken had: die met humor! Meteen na die absurde gedachte het gevoel dat het toch vreemd is: een douanebeambte duidelijk moeten maken dat er grenzen zijn…
En verder maar weer, nog heel wat kilometers te gaan! Duitsland doorkruist en bij Basel het Zwitserse luchtruim binnengedrongen. Althans, dat dacht ik. Hoe wij aan het idee komen dat die Zwitsers neutraal zijn?! Ik kon meteen mijn paspoort inleveren en de auto aan de zijkant parkeren. Met minder mensen, maar mèt een argwanende dienstklopper die alles over mijn reis en reisdoel wilde weten herhaalde zich het Duitse toneelstuk. Inclusief indringende vragen, achterdochtige herhalingen als hij vond dat iets in tegenspraak was met wat ik daarvoor had gezegd. Kortom: de man genoot van zijn baan! En daardoor had ik voor het eerst plezier van mijn niet al te grote opruimwoede als het om mijn auto gaat. In de achterbak lag nog een vuilniszak met lege blikjes, lege snoepzakjes, papiertjes, lege shagpakjes en de onvermijdelijke verpakkingen van die meestal zo smerige broodjes bacon-ei van menig benzinepomp. Het was niet verder gekomen dan het in die vuilniszak proppen, het weggooien van de zak zelf was net een stap te ver. En nu was ik er blij mee. Ooit een dienstklopper met handschoentjes aan en een zaklantaarn een vuilniszak zien doorspitten?
Met nauwelijks verholen teleurstelling zette hij de zak weer in de achterbak en klapte hij de kofferdeksel dicht. Ik mocht verder, al ging het niet van harte. Van zijn kant tenminste. Mij restten nog zo'n zeshonderd kilometer en één grensovergang. Die kon ik passeren op de Italiaanse manier: een wapperend handje, nauwelijks een blik en een houding van de douanebeambte die verried dat hij het te warm vond, geen zin had en niet kon wachten tot zijn dienst er op zat. Doorrijden maar…op naar nog vier maanden Toscane!




